Nederland werkt aan een toekomstbestendig afvalbeleid. Om zeker te stellen dat de minimumstandaarden in het Circulair Materialen Plan aansluiten op Europese eisen, onderzochten RWS en IenW – met ondersteuning van IPR Normag – hoe deze zich verhouden tot de internationale Best Beschikbare Technieken.
Rijkswaterstaat en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
2025
Alexander Pluckel
In het onderzoek zijn in totaal 32 BREF-documenten geanalyseerd, met daarbinnen 2.019 BBT’s. Uit deze analyse blijkt dat 272 BBT’s relevant zijn voor 19 sectorplannen uit LAP3 en 17 afval- of ketenplannen uit het CMP. Het rapport geeft overzicht welke BBT’s er voor welk afval- of ketenplan relevant zijn bij de vergunningverlening voor afvalverwerking van de afvalstromen uit het CMP.
De analyse vormt daarmee een belangrijke bouwsteen voor het CMP en biedt vergunningverleners concreet houvast bij het maken van goed onderbouwde keuzes. Projectleider Alexander Pluckel: “Dit onderzoek borgt dat het nationale beleid voor het verwerken van afvalstoffen in overeenstemming is met internationaal gemaakte afspraken over het verwerken van afvalstoffen waar vergunningverleners ook aan moeten toetsen.”
Wat is een BREF?
Vergunningverleners moeten ook rekening houden met internationale kaders. Een belangrijk voorbeeld hiervan zijn de Best Beschikbare Technieken (BBT’s), die zijn vastgelegd in de zogeheten BAT Reference Documents (BREF’s). Deze documenten worden op Europees niveau vastgesteld en vinden hun juridische basis in de Richtlijn Industriële Emissies. BBT’s stellen eisen aan onder meer procesvoering, organisatie en emissieniveaus bij industriële activiteiten, waaronder afvalverwerking. Bij het opstellen van de minimumstandaarden wordt expliciet gekeken naar de BREF-documenten, zodat de minimumstandaard als geheel niet in strijd is met de geldende BBT’s.
Waarom is dit voor het Circulair Materialenplan belangrijk?
Sinds 2026 beschikt Nederland over een nieuw nationaal afvalbeheerplan: het Circulair Materialenplan (CMP). Dit plan vormt het beleidsmatige fundament voor afvalbeheer en circulariteit en bevat afval- en ketenplannen voor in totaal 60 afvalstromen. Daarmee is het CMP normstellend voor de manier waarop afvalstoffen in Nederland mogen en moeten worden verwerkt.
Een kernonderdeel van het CMP zijn de minimumstandaarden. Deze minimumstandaarden fungeren als toetsingskader bij vergunningverlening en leggen vast wat per afvalstroom de laagst toegestane vorm van verwerking van een afvalstroom is. Vergunningverleners zijn verplicht om aan deze minimumstandaarden te toetsen bij het beoordelen van aanvragen voor handelingen met afvalstoffen.
De minimumstandaarden concretiseren de afvalhiërarchie uit de Wet milieubeheer. Waar deze hiërarchie het algemene principe beschrijft (preventie, hergebruik, recycling, verbranding en storten), maken de minimumstandaarden dit per afvalstroom concreet en toetsbaar. Zij vormen daarmee een juridisch bindend beleidskader: in principe mag geen vergunning worden verleend voor een verwerkingsmethode die niet aan de vastgestelde minimumstandaard voldoet. Alleen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld wanneer aantoonbaar geen betere verwerkingsoptie beschikbaar is, kan het bevoegd gezag hiervan afwijken, mits goed gemotiveerd en gemeld bij het ministerie van IenW.
Bij de overgang van LAP3 naar het CMP zijn alle minimumstandaarden weer tegen het licht gehouden en is het aantal sectorplannen teruggebracht van 84 naar 60 afval- en ketenplannen. Dit betreft deels een herindeling, maar er zijn ook een aantal nieuwe minimumstandaarden toegevoegd en enkele vervallen. Bovendien zijn sinds de inwerkingtreding van LAP3 diverse BREF-documenten herzien. Deze ontwikkelingen maakten het noodzakelijk om de relatie tussen BBT’s en minimumstandaarden opnieuw integraal en systematisch te analyseren.